In de strijd tegen mensenhandel geldt België internationaal als voorbeeld voor de aanpak van economische uitbuiting. Die status kreeg ons land niet zomaar. Waarom blinkt ons land hier in uit? Hoe verlopen de onderzoeken? En wat met de slachtoffers? Matthieu Simon, substituut-generaal bij het auditoraat-generaal in Luik en medecoördinator van het expertisenetwerk ‘Mensenhandel en Mensensmokkel’ klaart het uit.
België blijkt het meest vooruitstrevende land te zijn in de strijd tegen mensenhandel, en dan vooral op het vlak van economische uitbuiting. Mensenhandel omvat ook: seksuele uitbuiting, uitbuiting van bedelarij, uitbuiting door orgaanroof en gedwongen criminaliteit.
Deze vaststelling komt niet uit de lucht gevallen. “Als medecoördinator van het expertisenetwerk ‘Mensenhandel en Mensensmokkel’ ontvang ik samen met mijn collega's Laurence Maudoux en Vinciane Masson regelmatig buitenlandse delegaties of word ik uitgenodigd voor bijeenkomsten en opleidingen in het buitenland”, legt de substituut-generaal uit. “Tijdens een reis naar Zweden ontdekten we bijvoorbeeld, en zagen we achteraf gezien ook bevestigd, dat België op het vlak van doeltreffendheid een uitstekende reputatie geniet en dat we samen met Finland worden beschouwd als de beste.”
Klassieke voorbeelden van mensenhandel vanuit het oogpunt van economische uitbuiting zijn te vinden in de bouwsector, in de horeca of in sommige landbouwbedrijven, waar men arbeiders op een willekeurige manier kan laten werken en kan laten slapen op de plaats waar ze werken of op stoffige bouwplaatsen, in de kelder of op zolder. Dit in soms erbarmelijke omstandigheden, bijvoorbeeld zonder verwarming midden in de winter, zonder warm water of een badkamer, of op een matras op de grond. Al deze indicatoren kunnen wijzen op mensenhandel.
Slachtoffers kunnen Belg zijn of uit het buitenland komen, verblijven meestal illegaal in ons land en hebben soms asiel aangevraagd.

De toestemming van het slachtoffer is geen bepalende factor
Waarom is België zo succesvol in zijn strijd tegen dit fenomeen? De kracht van ons land zit hem deels in de definitie van het begrip.
“Het internationaal recht stelt dat mensenhandel op zijn minst slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid omvat, iets wat de meeste landen op een precieze manier in hun wetgeving hebben opgenomen”, benadrukt Matthieu Simon. “Maar ze vergeten een essentiële bepaling, namelijk dat de toestemming van het slachtoffer een factor is die er niet toe doet. Met andere woorden, zelfs als iemand ermee instemt om onder erbarmelijke omstandigheden te werken, kan er toch sprake zijn van mensenhandel. En dat aspect wordt door de meeste landen niet in aanmerking genomen.”
In België werd ervoor gekozen om mensenhandel te beschouwen als iets dat verder gaat dan louter dwangarbeid. Het gaat hier om arbeid “in omstandigheden die indruisen tegen de menswaardigheid”, en daaronder vallen ook de situaties waarin het slachtoffer toestemt.
“Dankzij deze definitie kunnen we onderzoek voeren”, merkt Matthieu Simon op. “In andere landen is er geen sprake van mensenhandel als het slachtoffer de kans heeft om te ontsnappen, omdat het slachtoffer vrij was om te vertrekken. In België is dat geen bepalende factor.”
Bovendien rechtvaardigt de substituut-generaal het Belgische standpunt als volgt: “Het feit dat we zo’n brede definitie hanteren, is een antwoord op de migratie. Neem nu bijvoorbeeld iemand die naar ons land komt vanuit Soedan, waar hij enkel oorlog en hongersnood heeft gekend. Hij komt aan in België waar elk werk dat hem wordt aangeboden, aanvaardbaar lijkt. Of hij nu 80 uur per week werkt, 300 euro per maand verdient en in slechte omstandigheden wordt gehuisvest, het zal altijd beter zijn dan wat hij heeft gekend en beleefd. Hij zal er dus mee instemmen. België vindt dat echter niet correct, en vindt dat het hierbij om mensenhandel gaat. En we hebben gelijk! Onze visie is in overeenstemming met het internationaal recht. De rechtspraak van het Hof voor de Rechten van de Mens sluit aan bij de Belgische visie en stelt evenzeer dat de toestemming van het slachtoffer geen bepalende factor is.”
Deze logica is gebaseerd op het menswaardigheids-criterium dat overal ter wereld een andere invulling krijgt. Hoewel alle landen op het gebied van seksuele uitbuiting ongeveer een vergelijkbare wetgeving hebben, is dat voor economische uitbuiting namelijk niet het geval.
Dit centrale begrip wordt echter nergens omschreven. “Menswaardigheid wordt aangehaald in artikel 23 van de Grondwet”, zegt Matthieu Simon. “We zouden kunnen stellen dat het beschermen van menswaardigheid gelijkstaat aan het beschermen van de basisbehoeften van de mens, maar dat is niet nauwkeurig genoeg. Kortom, als we de rechtspraak zeer beknopt samenvatten, zou het bij economische uitbuiting van werknemers gaan om een klaarblijkelijke schending van onze regels op het gebied van arbeidsrecht en sociale zekerheid.”
Volgens de rechtspraak moet er dus al sprake zijn van een schokkende, duidelijk opvallende afwijking van de regels rond arbeidsrecht en sociale zekerheid. We leggen ons dus toe op de normale arbeidsomstandigheden, de arbeidsduur, het loon, de vakantieregeling en het welzijn. In de bouwsector zou dit kunnen betekenen dat men met slecht gereedschap of zonder enige bescherming moet werken.

Een vertrouwensband opbouwen met het slachtoffer
Niet alleen is de Belgische wetgeving dus duidelijker, ook de onderzoeken worden in ons land vaker succesvol afgerond dan in andere landen. Het percentage vrijspraken is zeer laag. “De overgrote meerderheid van de dossiers eindigt met een veroordeling”, aldus Matthieu Simon. “In de meeste andere landen is dat helemaal niet het geval. Als ik onze cijfers voorleg aan buitenlandse deskundigen, trekken ze grote ogen.”
Dat komt met name omdat België zich ook onderscheidt op het gebied van slachtofferbegeleiding. Volgens het Belgische model moet een maatschappelijk werker het mogelijke slachtoffer, zodra het is geïdentificeerd, ontmoeten en uitleggen wat zijn rechten zijn, idealiter nog voor het verhoor bij de politie.
“Kortom, als een slachtoffer meewerkt, wanneer het zich als slachtoffer meldt of aangifte doet, krijgt het optimale begeleiding voor de huisvesting, sociale, medische en psychologische hulp via één van de gespecialiseerde centra in het land (Surya in Luik, Pag-Asa in Brussel en Payoke in Antwerpen)”, legt Matthieu Simon uit. “Het slachtoffer krijgt ook een tijdelijke verblijfsvergunning die kan worden omgezet in een vergunning voor onbepaalde duur als het Openbaar Ministerie aan het einde van het onderzoek erkent dat de persoon wel degelijk het slachtoffer was van mensenhandel.”
Deze procedure is van groot belang omdat het vertrouwen van het slachtoffer (terecht) moet worden gewonnen, het slachtoffer de bewijzen niet hoort te ontkennen en moet begrijpen dat het in zijn of haar belang is om niets achter te houden. Het feit dat alle informatie beschikbaar is bij het begin van een onderzoek vergemakkelijkt ook het werk van de onderzoekers.
Een ander hulpmiddel voor het opbouwen van deze belangrijke vertrouwensband is de niet-bestraffingsclausule, wat wil zeggen dat een slachtoffer, wanneer het strafbare feiten heeft gepleegd die het rechtstreekse gevolg zijn van zijn uitbuiting, buiten vervolging wordt gesteld. “Dit zal echter gedeeltelijk veranderen met het nieuwe Strafwetboek”, merkt Matthieu Simon op. “De meest ernstige strafbare feiten zullen dan toch worden vervolgd.”
Mogelijke verbeteringen
De situatie is echter lang niet ideaal en daarbij komt opnieuw het gebrek aan middelen bij Justitie naar voren. “Het rechtstreekse gevolg daarvan is dat we uitblinken in de kleine dossiers met slechts enkele slachtoffers, maar wanneer er tientallen of zelfs meer slachtoffers betrokken zijn, wordt de afhandeling van de zaak bijna onmogelijk”, betreurt Matthieu Simon. “We hebben veel meer personeel (maatschappelijk werkers, sociaal inspecteurs, politieagenten, enz.) nodig om deze slachtoffers snel op te vangen en te kunnen ondervragen, dan dat er momenteel beschikbaar is. Dat is vooral jammer omdat juist die grote dossiers de Staat het meest zouden opleveren.”
Ook de bestraffing kan beter. “De straffen blijven relatief beperkt, en dat is teleurstellend”, meent de substituut-generaal. “In dossiers rond mensenhandel bedraagt de strafmaat ongeveer twee jaar gevangenisstraf. In het Strafwetboek worden over het algemeen zeer hoge strafmaten opgelegd, maar om die telkens te kunnen toepassen, zijn er tien keer meer gevangenissen nodig.”
Mensenhandel is namelijk een symboolmisdrijf in het Strafwetboek, hoewel er statistisch gezien maar weinig minderjarige slachtoffers zijn. “Dat komt doordat de jeugdafdelingen van de parketten er niet altijd aan denken dat het om mensenhandel kan gaan”, constateert de substituut-generaal. “Natuurlijk is niet iedereen een expert in elk soort misdrijf. Daarom organiseren we ook opleidingen voor magistraten. Aangezien ons recht steeds complexer wordt, moeten er continu inspanningen worden geleverd om op de hoogte te blijven.”
Artikel uit KortOM, het digitale magazine van het Openbaar Ministerie